Wanneer ouders uit elkaar gaan, is de verblijfsregeling van de kinderen vaak één van de belangrijkste vragen. Waar zullen de kinderen wonen? Hoe worden de weken verdeeld? En moet een goede regeling betekenen dat kinderen precies evenveel tijd bij beide ouders doorbrengen?
Co-ouderschap wordt in de praktijk vaak gelijkgesteld met een week-weekregeling. Toch zijn gedeeld ouderschap en een mathematische verdeling van de tijd niet hetzelfde.
Een goede verblijfsregeling vertrekt niet alleen van wat voor beide ouders gelijk of praktisch lijkt. Ook de leeftijd, persoonlijkheid en behoeften van het kind, de afstand tussen beide woningen, school, hobby’s en de manier waarop ouders met elkaar kunnen overleggen spelen een rol.
Co-ouderschap na een scheiding betekent niet automatisch week om week
Na een scheiding behouden beide ouders in principe hun ouderlijk gezag. Belangrijke beslissingen over bijvoorbeeld gezondheid, opvoeding en studies blijven dus beslissingen waarbij beide ouders betrokken zijn.
Dat staat los van de vraag hoeveel dagen het kind bij iedere ouder verblijft.
Een kind kan bijvoorbeeld hoofdzakelijk bij één ouder verblijven en regelmatig bij de andere ouder zijn, terwijl beide ouders belangrijke beslissingen blijven nemen en actief betrokken blijven bij de opvoeding.
Ook andere verblijfsregelingen dan zeven dagen bij de ene en zeven dagen bij de andere ouder zijn mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan een 5/9-regeling, kortere wissels of een regeling waarbij weekends en weekdagen anders worden verdeeld.
De vraag is daarom niet alleen:
“Hoe verdelen we de tijd eerlijk tussen ons beiden?”
Een minstens even belangrijke vraag is:
“Welke regeling past het best bij ons kind en bij onze gezinssituatie?”
Gelijkheid tussen ouders is niet hetzelfde als belang van het kind
Tijdens een scheiding is het begrijpelijk dat ouders zoeken naar gelijkheid. Niemand wil het gevoel krijgen minder ouder te zijn dan de ander.
Maar precies daar kunnen twee verschillende belangen door elkaar beginnen lopen.
Een regeling kan voor beide ouders perfect gelijk zijn en voor een kind toch moeilijk functioneren. Omgekeerd kan een regeling die op papier ongelijk lijkt voor een bepaald kind juist veel rust en stabiliteit bieden.
De behoeften van een kleuter zijn bijvoorbeeld niet noodzakelijk dezelfde als die van een zestienjarige. Ook kinderen van dezelfde leeftijd kunnen sterk verschillen. Het ene kind past zich gemakkelijk aan twee woningen aan, terwijl een ander kind veel behoefte heeft aan voorspelbaarheid en een vaste omgeving.
Daarom bestaat er geen verblijfsregeling die voor ieder gezin de beste is.
Kijk verder dan het aantal overnachtingen
Bij het uitwerken van een regeling kan het helpen om niet onmiddellijk een kalender te nemen, maar eerst naar het dagelijkse leven van het kind te kijken.
Waar gaat het kind naar school? Hoe lang zijn de verplaatsingen vanuit beide woningen? Waar vinden hobby’s plaats? Hoe verlopen huiswerk en schooldagen? Hoe belangrijk is contact met vrienden in de buurt? Hoe ervaart het kind wisselmomenten?
Ook de praktische mogelijkheden van beide ouders spelen mee. Werkuren, woonafstand en beschikbaarheid kunnen een regeling gemakkelijk of juist bijzonder belastend maken.
Bij jonge kinderen kan bovendien de duur tussen twee contactmomenten belangrijk zijn. Bij oudere kinderen worden school, vrienden, sport en een groeiende behoefte aan zelfstandigheid vaak belangrijker.
Een verblijfsregeling is daarom meer dan een verdeling van nachten. Ze organiseert een belangrijk deel van het dagelijkse leven van een kind.
Ook de manier waarop ouders communiceren telt
Zelfs een zorgvuldig uitgewerkte kalender kan moeilijk functioneren wanneer iedere wissel aanleiding geeft tot conflict.
Kinderen hoeven niet te worden betrokken bij discussies over wie gelijk heeft, wie welke kosten moet betalen of waarom een afspraak werd gewijzigd. Wanneer zij voortdurend boodschappen tussen hun ouders moeten overbrengen, kunnen zij terechtkomen in een positie die niet bij hun leeftijd of rol past.
Een werkbare regeling vraagt daarom ook afspraken tussen ouders.
Hoe informeren we elkaar over school? Wat gebeurt er wanneer een kind ziek wordt? Hoe regelen we vakanties? Hoe gaan we om met uitzonderingen? Welke beslissingen bespreken we vooraf?
Hoe duidelijker deze afspraken zijn, hoe kleiner de kans dat dagelijkse praktische kwesties telkens opnieuw een conflict worden.
Het belang van het kind krijgt ook juridisch aandacht
Het belang van minderjarige kinderen is niet alleen een psychologisch aandachtspunt.
Sinds april 2024 moet bij een echtscheiding door onderlinge toestemming worden aangegeven hoe bij de gemaakte afspraken rekening werd gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen. Een vergelijkbare verplichting geldt voor gerechtelijke en buitengerechtelijke bemiddelingsakkoorden.
Dat betekent niet dat er één wettelijk voorgeschreven ideale verblijfsregeling bestaat. Het vraagt wel dat ouders bewust stilstaan bij de gevolgen van hun afspraken voor hun kinderen.
Dat kan bijvoorbeeld gaan over school, hobby’s, leeftijd, praktische verplaatsingen, contacten met familie of andere elementen die voor een specifiek kind belangrijk zijn.
En wat met fiscaal co-ouderschap?
Hier ontstaat geregeld verwarring.
Fiscaal co-ouderschap en de feitelijke verblijfsregeling zijn niet hetzelfde.
Fiscaal co-ouderschap heeft betrekking op de fiscale behandeling van kinderen die gelijkmatig bij beide ouders zijn gehuisvest, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Het heeft onder meer gevolgen voor de verdeling van het fiscale voordeel voor kinderen.
De keuze voor een verblijfsregeling heeft dus mogelijk ook financiële en fiscale gevolgen. Daarnaast moeten ouders afspraken maken over gewone en buitengewone kosten en over hun bijdrage in de kosten van de kinderen.
Het is daarom verstandig om bij een scheiding de psychologische, praktische, juridische én financiële aspecten niet volledig los van elkaar te bekijken.
Een regeling mag evolueren
Een afspraak die goed werkt voor een kind van zes hoeft niet noodzakelijk de beste regeling te blijven wanneer dat kind twaalf of zestien wordt.
Gezinnen veranderen. Kinderen ontwikkelen zich, ouders kunnen verhuizen of van werk veranderen en school- of vrijetijdsactiviteiten kunnen wijzigen.
Een goede overeenkomst biedt voldoende duidelijkheid om conflicten te vermijden, maar ouders moeten tegelijk kunnen erkennen dat omstandigheden in de toekomst kunnen veranderen.
Een verblijfsregeling hoeft daarom niet beschouwd te worden als een beslissing die voor altijd vastligt.
Wat kan bemiddeling betekenen?
Bij een scheiding spreken ouders niet altijd vanuit dezelfde bezorgdheid.
De ene ouder kan sterk vasthouden aan een gelijke verdeling omdat hij of zij bang is het contact met de kinderen te verliezen. De andere kan meer nadruk leggen op rust en stabiliteit. Achter een discussie over één extra dag kunnen daardoor heel andere zorgen zitten.
Bemiddeling kan helpen om die onderliggende belangen zichtbaar te maken.
Het doel is niet dat één ouder de andere overtuigt, maar dat ouders onderzoeken welke afspraken haalbaar zijn voor hun gezin en hoe zij daarbij rekening kunnen houden met de behoeften van hun kinderen.
Dat gesprek kan zowel praktische als emotionele, juridische en financiële aspecten omvatten.
Niet “wie krijgt hoeveel?”, maar “wat heeft ons kind nodig?”
Een scheiding verandert de structuur van een gezin, maar beëindigt het ouderschap niet.
Een duurzame verblijfsregeling ontstaat daarom meestal niet door uitsluitend dagen te tellen. Ze ontstaat door te kijken naar het kind, naar de mogelijkheden van beide ouders en naar de manier waarop het gezin na de scheiding verder moet functioneren.
Soms leidt dat tot een week-weekregeling. Soms tot een andere verdeling.
De beste regeling is niet noodzakelijk degene die op papier het meest gelijk is, maar degene die voor het betrokken kind en gezin daadwerkelijk werkbaar is.
